Historische
detectives
Het is 1910.
Fransje, een doktersdochter uit het sjieke Amsterdam OudZuid, raakt
bevriend met Dientje, het zusje van de dienstbode.
Samen gaan ze onderzoeken wie de dader is van de gewelddadige diefstal
in Fransjes huis. Ze ondervragen verdachte personen, lezen en schrijven
geheime brieven en zoeken naar bewijsmateriaal. Hun speurtocht voert
ze dwars door Amsterdam, van het Centraal Station naar het Museumplein,
van het Vondelpark naar de Albert Cuypmarkt. Hun
ouders mogen dat natuurlijk niet weten. En als de detectives een lijk
van één van de verdachten zien drijven |
|
in de Ruysdaelkade
wordt hun werk niet alleen nóg spannender maar ook echt gevaarlijk.
Nu moeten ze ook nog op zoek naar de moordenaar…
Fragment
uit het boek 'Moord in Amsterdam'
 |
"Fransjes
en Dientjes ouders zouden niet zo rustig hebben geslapen als ze hadden
geweten dat hun dochters onder een struik in het Vondelpark zaten.
Fransje zag het lichaam van de gravin weer voor zich, zoals het nat
en stijf door politieagenten uit het water werd gehaald. De hele Ruysdaelkade
was uitgelopen omdat schouwspel te zien.
Een gebloemde sjaal was strak om de nek van de gravin gebonden.
‘Ze is gewurregd, ’t arme wijf,’ zei een vrouw, ‘de kerel die dat
gedaan heit motte ze opknope.’
Als we nou eens alles wat we weten aan de politie vertellen? vroeg
Fransje. Dan gaan zij hem arresteren en weet niemand dat wij al het
werk hebben gedaan.’
‘Maar als-ie ons nou eens wurgt?’
‘Kan-ie niet!’ Uit de zak van haar rok haalde Dientje een klein, blinkend
mes.
‘Heb ik meegenomen voor noodgevallen.
Ik hou ‘m in bedwang met het mes en jij bindt |
zijn handen vast.’
‘Ik heb geen touw.’
‘Ben jij nou een detective? Neem je ceintuur dan!’ zei Dientje.
‘Krijg je een beloning als je een moordenaar aangeeft?’ Vast en zeker, wilde
Fransje zeggen, toen ze om de hoek van de Van Eeghenstraat een man zagen
aankomen…"
De ouders van Fransje gaan met vakantie
naar de Rivièra, en Dientje mag mee. Maar ze moeten beloven nooit
meer zulk gevaarlijk werk te doen.
In het familiepension in Nice pleegt
een van de gasten zelfmoord. Maar Fransje en Dientje vertrouwen het niet
en gaan op onderzoek uit. Ze komen terecht in het oude Nice, aan een speeltafel
in het casino, de Opéra en ze wonen een opzienbarende vliegshow
bij. Dientje maakt tegen wil en dank een vliegtochtje mee in een oude
dubbeldekker...
Fragment
uit het boek 'Moord aan de Rivièra'
 |
"Fransje
en Dientje liepen de gang in. Bliksemflitsen verlichtten het trappenhuis.
De palmen zagen eruit als grote zwarte spinnen. Donderslagen deden
de glas-in-lood ramen rinkelen.
Ze renden de trap op en de gang in naar het torentje. De deur van
Felix’ kamer was open. Ze stonden stil.
‘Felix?’ zei Fransje. ‘Ben je daar?’
Een donderklap was het enige antwoord. Fransje greep Dientjes mouw.
Op hun tenen slopen ze de kamer in. Het was er aardedonker. Er hing
een vreemde lucht, die Dientje aan oudjaar deed denken.
‘Felix?’ fluisterde Fransje. Het bleef stil.
‘Hij is er niet,’ siste Dientje. "Laten we weggaan!’
Ze wilden zich net omdraaien, toen een bliksemflits de kamer hel verlichtte.
In die ene seconde zagen ze Felix.
Hij was half van zijn bed gegleden. Zijn armen en hoofd raakten bijna
de grond. |
Zijn mond stond wijd open
alsof hij schreeuwde zonder geluid. Zijn zwarte ogen keken hen verbijsterd
aan. Donker bloed stroomde over zijn witte gezicht. Felix was dood..."
Fransje en Dientje waren nog niet klaar met hun succesvolle detectivewerk.
Samen met Fransjes ouders reizen ze met de Orient Express naar het exotische
Istanbul, waar ze logeren bij een bevriende Turkse doktersfamilie. Ze
bekijken het Topkapi Paleis, de Aya Sofia, de Sultan Ahmet Moskee en de
Grand Bazaar.
Helaas vindt er al snel een ontvoering plaats, gevolgd door een moord
in het tuinhuis.
Als blijkt dat het de buikdanseres is die ze de vorige dag nog hebben
zien optreden in de harem, moeten Fransje en Dientje wel in actie komen.
Samen met Feride, de dochter des huizes, gaan ze op onderzoek uit...
Fragment
uit het boek 'Moord in Istanbul'
 |
"Het
was tien minuten voor middernacht. Fransje en Dientje zaten in het
tuinhuis te wachten. Feride had zich, gewapend met haar grootvaders
wandelstok, achter een struik verborgen.
Het huis van Ferides grootouders was donker en stil. Toch moest er
één persoon klaarwakker zijn: de moordenaar!
’s Middags hadden Fransje en Dientje zeven brieven aan de zeven verdachten
geschreven. Er stond in: Wij weten alles! Komt u om twaalf uur middernacht
naar het tuinhuis.
Stil zaten ze naast elkaar te luisteren. De bladeren van de bomen
ruisten zacht in de zeewind. Een uil krijste alsof hij ze wilde waarschuwen.
Op de bank tegenover hen had de dode buikdanseres gelegen.
Fransje verbeeldde zich dat ze de bloedvlekken nog
kon zien. |
Had
ze haar vader maar om hulp kunnen vragen. Dan zat ze hier nu niet zo onbeschermd,
met alleen de scherpe pin van een broche in haar hand om zich
te verdedigen.
Dientje
klemde een dikke tak tussen haar vingers. Ze wilde dat ze veilig op school
zat. Zelfs de vreselijke rekenlessen van de knorrige Meneer de Waal leken
haar opeens knus en gezellig. De gemalen schelpen op het tuinpad knerpten.
Fransje en Dientje vergaten adem te halen. Ze hoorden voetstappen dichterbij
komen. De deurknok werd omgedraaid en de deur ging piepend open..." |